Hypotheken
Een hypothecaire lening bestaat doorgaans uit een rentedeel en een aflossingsdeel. Binnen het aflossingsdeel kan het gaan om periodiek aflossen of aflossing ineens aan het einde van de looptijd van de hypotheek. Bij periodiek aflossen heeft u de keuze tussen lineair aflossen en aflossen op basis van annuïteiten.
Bij eenmalig aflossen lost u aan het einde van de looptijd ineens af. Omdat u gedurende de looptijd geen aflossingen doet, bent u steeds rente verschuldigd over de hele hoofdsom. Uw belastingvoordeel door de renteaftrek is daarentegen groter, omdat u meer rente betaalt.
Om aan het einde van de looptijd in één keer te kunnen aflossen, moet u over kapitaal beschikken. Dit vermogen kan u binnen de hypotheek aflossen door sparen of beleggen, al dan niet via een levensverzekering. Bekende aflossingsvormen in dit verband zijn de spaarhypotheek, de bankspaarhypotheek en de beleggingshypotheek. Als u binnen de hypotheek geen vermogen opbouwt voor aflossing, spreken we van een aflossingsvrije hypotheek. 
Hypotheekproducten onderscheiden zich ook door verschillende renteconstructies, die u bijvoorbeeld flexibiliteit bieden bij het moment waarop de rente wordt vastgezet (rentebedenktijd). Ook komen rentevormen voor waarbij de rente alleen wordt aangepast als deze buiten een bepaalde bandbreedte komt ( rentedrempel).
Bij nieuwbouw of verbouwing van een woning is sprake van een bouwdepot waarin de hypotheekverstrekker tijdelijk het met de lening gefinancierde geld stalt. Doorstromen naar een andere woning gaat veelal samen met het opnemen van een overbruggingskrediet.



